ECLI:NL:RBDHA:2021:15809
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken feitelijke gezinsband
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis als broer en pleegkind van referent, die sinds augustus 2019 een verblijfsvergunning asiel heeft. Verweerder wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was dat eiser tot het gezin van referent behoorde toen referent naar Nederland kwam.
Verweerder stelde bewijsnood vast omtrent de identiteit van eisers moeder en concludeerde dat het pleegouderschap niet was aangetoond. Eiser voerde aan dat referent vanaf jonge leeftijd zorgde voor hem vanwege de zorgelijke gezondheid van hun vader, ondersteund door medische en officiële documenten. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de feitelijke gezinsband ontbrak, mede op grond van verklaringen uit de asielprocedure waaruit blijkt dat de vader een belangrijke ouderlijke rol vervulde en de moeder de dagelijkse verzorging deed.
De rechtbank achtte het beleid uit de Vreemdelingencirculaire leidend en vond dat er geen bijzondere omstandigheden waren om hiervan af te wijken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om griffierechtvrijstelling werd gehonoreerd. De uitspraak is gedaan door rechter Mol en griffier Wilpstra-Foppen op 29 april 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.