ECLI:NL:RBDHA:2021:15813
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in verblijfsvergunningzaak wegens ontbreken spoedeisend belang
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de grootmoeder van de referent een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro ingediend, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Tegen dit primaire besluit is bezwaar gemaakt en is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Tijdens de mondelinge behandeling op 9 juni 2021 verschenen verzoekster en referent, terwijl verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang. Er is geen dreigende uitzetting of andere onomkeerbare situatie vastgesteld die onmiddellijke voorziening rechtvaardigt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot vrijstelling van griffierecht wel toegewezen gezien de omstandigheden. Verzoekster kan een nieuw verzoek indienen als alsnog een concrete dreiging tot uitzetting ontstaat. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.