Eiser, een Albanese vrachtchauffeur, kreeg op 8 november 2020 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Hij stelde beroep in tegen beide besluiten. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk is omdat eiser op 23 november 2020 naar Albanië is uitgezet en daardoor geen procesbelang meer heeft.
Ten aanzien van het inreisverbod stelt de rechtbank vast dat verweerder heeft aangenomen dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken en het inreisverbod terecht heeft opgelegd. Eiser voerde aan dat het inreisverbod zijn werk als vrachtchauffeur belemmert en dat hij zijn zwager in Duitsland niet kan bezoeken.
De rechtbank constateert dat verweerder in het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze omstandigheden niet tot een verkorting van het inreisverbod leiden, wat een motiveringsgebrek oplevert. Dit leidt tot gegrondverklaring van het beroep tegen het inreisverbod en vernietiging van dat deel van het besluit.
Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het inreisverbod in stand, omdat verweerder in het verweerschrift alsnog een motivering gaf en eiser onvoldoende onderbouwde dat het inreisverbod zijn werkzaamheden of familiebezoek in het Schengengebied daadwerkelijk belemmert.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 534,- aan eiser.