ECLI:NL:RBDHA:2021:15924
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechter onbevoegd bij beroep tegen hoogte rechterlijke dwangsom
Eiser diende op 9 mei 2019 een asielaanvraag in bij de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Na een gebrekenstelling en een eerdere uitspraak waarbij verweerder werd opgedragen een besluit te nemen binnen een bepaalde termijn, stelde verweerder op 14 augustus 2020 het bestreden besluit vast waarin de aanvraag werd ingewilligd en de hoogte van zowel een bestuurlijke als een rechterlijke dwangsom werd vastgesteld.
Eiser was het niet eens met de vastgestelde hoogte van de rechterlijke dwangsom en stelde beroep in bij de bestuursrechter. De rechtbank oordeelde dat de vaststelling van de hoogte van de rechterlijke dwangsom geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro. Hierdoor is de bestuursrechter niet bevoegd om van het beroep kennis te nemen.
De rechtbank verwees naar de relevante wetsartikelen en jurisprudentie, waaronder een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en wees erop dat eiser zich tot de burgerlijke rechter moet wenden voor een geschil over de hoogte van de dwangsom. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de hoogte van de rechterlijke dwangsom.