ECLI:NL:RBDHA:2021:16025

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2021
Publicatiedatum
31 maart 2022
Zaaknummer
AWB 21/7504
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 10 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere vreemdelingen 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging Rva-verstrekking aan asielzoekster

Verzoekster heeft voor de periode van 26 mei 2021 tot 26 november 2021 uitstel van vertrek gekregen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, en gedurende die periode Rva-verstrekking ontvangen. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Coa) heeft bij besluit van 13 december 2021 medegedeeld dat de Rva-verstrekking per 25 december 2021 wordt beëindigd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening om de beëindiging te voorkomen.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster sinds 26 november 2021 geen rechtmatig verblijf meer heeft en dat de Rva-verstrekking daarom per 25 december 2021 eindigt. Hoewel verzoekster een nieuwe aanvraag voor uitstel van vertrek heeft ingediend, is daar nog niet op beslist, en kan zij daarom geen aanspraak maken op Rva-verstrekking zolang het uitstel niet is verleend.

Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute medische noodsituatie die het noodzakelijk maakt de Rva-verstrekking te handhaven. Haar post-COVID syndroom veroorzaakt fysieke en psychische klachten, maar deze zijn niet van dien aard dat zonder onmiddellijke behandeling een noodsituatie ontstaat. Bovendien kan zij voor noodzakelijke medische behandelingen een beroep doen op artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Rva-verstrekking is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/7504

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 december 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Coa), verweerder

(gemachtigde: mr. I. van der Valk).

Procesverloop

Aan verzoekster is voor de periode van 26 mei 2021 tot 26 november 2021 uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Gedurende die tijd heeft verzoekster Rva [1] -verstrekking gehad.
Bij besluit van van 13 december 2021 heeft verweerder aan verzoekster medegedeeld dat haar Rva-verstrekking per 25 december 2021 zal worden beëindigd.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om de beëindiging van de Rva-verstrekking te voorkomen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Artikel 8:83, vierde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken nu de Rva-verstrekking van verzoekster uiterlijk 25 december 2021 eindigt.
3. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en overweegt daartoe het volgende.
4. Vanaf 26 november 2021 heeft verzoekster geen rechtmatig verblijf meer op grond van artikel 64 van Pro de Vw. De Rva-verstrekking van verzoekster eindigt daarom vier weken na die datum [2] , op 25 december 2021. Uit het verweerschrift blijkt dat verzoekster administratief ingeschreven staat bij het COa. Het gaat hier niet om opvang, maar om financiële verstrekkingen.
5. Verzoekster heeft op 7 december 2021 een nieuwe aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek maar daar is nog niet op beslist. Anders dan verzoekster betoogt kan zij hangende de aanvraag om uitstel van vertrek niet in aanmerking worden gebracht voor verstrekkingen van de Rva. Dit komt haar alleen toe als haar daadwerkelijk uitstel van vertrek is verleend.
6. Verzoekster heeft verder niet aangetoond dat sprake is van een acute medische noodsituatie, op grond waarvan er aanleiding voor verweerder kan bestaan om niet over te gaan tot beëindiging van de Rva-verstrekking. Zij lijdt aan post-COVID syndroom en ervaart daardoor fysieke en psychische klachten. Maar niet is gebleken dat haar medische omstandigheden zo ernstig zijn dat zonder onmiddellijke behandeling een medische noodsituatie ontstaat.
7. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster haar Rva-voorziening liever wil behouden, zal zij zonder Rva-verstrekking de noodzakelijke medische behandelingen niet mislopen. Zij kan immers in het geval van een noodzakelijke medische behandeling een beroep doen op artikel 10, tweede lid, van de Vw.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Tijsma, griffier. De beslissing is telefonisch meegedeeld op 24 december 2021.
De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3, derde lid, onder f, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere vreemdelingen 2005 (Rva).
2.Op grond van artikel 7, eerste lid, onder d, van de Rva.