ECLI:NL:RBDHA:2021:16025
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging Rva-verstrekking aan asielzoekster
Verzoekster heeft voor de periode van 26 mei 2021 tot 26 november 2021 uitstel van vertrek gekregen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, en gedurende die periode Rva-verstrekking ontvangen. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Coa) heeft bij besluit van 13 december 2021 medegedeeld dat de Rva-verstrekking per 25 december 2021 wordt beëindigd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening om de beëindiging te voorkomen.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster sinds 26 november 2021 geen rechtmatig verblijf meer heeft en dat de Rva-verstrekking daarom per 25 december 2021 eindigt. Hoewel verzoekster een nieuwe aanvraag voor uitstel van vertrek heeft ingediend, is daar nog niet op beslist, en kan zij daarom geen aanspraak maken op Rva-verstrekking zolang het uitstel niet is verleend.
Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute medische noodsituatie die het noodzakelijk maakt de Rva-verstrekking te handhaven. Haar post-COVID syndroom veroorzaakt fysieke en psychische klachten, maar deze zijn niet van dien aard dat zonder onmiddellijke behandeling een noodsituatie ontstaat. Bovendien kan zij voor noodzakelijke medische behandelingen een beroep doen op artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Rva-verstrekking is afgewezen.