ECLI:NL:RBDHA:2021:16043

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2021
Publicatiedatum
4 april 2022
Zaaknummer
AWB 21/1584
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:16 AwbArt. 73 lid 2 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdeling

Verzoekster, een vreemdeling van onbekende nationaliteit, had een aanvraag tot verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'verblijf als familie- of gezinslid' ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Tegen dit primaire besluit werd bezwaar gemaakt en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter overwoog dat de werking van het bestreden besluit niet automatisch wordt geschorst bij bezwaar en dat de staatssecretaris niet bevoegd is om de rechtsgevolgen van het besluit zelf op te schorten. Omdat de staatssecretaris zich niet verzet tegen het verzoek om voorlopige voorziening en er geen geschil meer bestaat over het feit dat uitzetting moet worden voorkomen, werd het verzoek toegewezen.

De uitzetting van verzoekster is daarom verboden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van verzoekster en moet het betaalde griffierecht worden vergoed. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoekster wordt verboden tot vier weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/1584
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] ,geboren op [geboortedatum] 2003, van onbekende nationaliteit, verzoekster
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Krikke),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid [A] ’ afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Nadat partijen de voorzieningenrechter toestemming hebben verleend om zonder zitting uitspraak te doen heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Wanneer tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen als verzoekster daarom vraagt. Als criterium voor het toewijzen van een voorlopige voorziening geldt dat onmiddellijke spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening moet vereisen. [1]
2. Verweerder heeft met de brief van 8 juni 2021 meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de voorlopige voorziening.
3. De voorzieningenrechter overweegt dat de werking van het bestreden besluit op grond van artikel 6:16 van Pro de Awb in samenhang met artikel 73, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet geschorst wordt, ook niet als tegen dat besluit bezwaar is gemaakt. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder niet op grond van de Awb en de Vw zelf de bevoegdheid heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten.
4. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat van uitzetting van verzoekster behoort te worden afgezien, bestaat aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en een wegingsfactor 1).
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- verbiedt verweerder verzoekster uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 748,-.
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier. De beslissing is uitgesproken op 2 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).