ECLI:NL:RBDHA:2021:16055
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning wegens ontbreken mvv
Verzoekster, van Egyptische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro om bij haar Nederlandse zoon te verblijven. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af omdat verzoekster geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) had en niet in aanmerking kwam voor vrijstelling hiervan. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het gezinsleven tussen verzoekster en haar zoon niet in geschil was, maar dat de belangenafweging omtrent de vrijstelling van het mvv-vereiste zorgvuldig moest worden gemaakt. De staatssecretaris had alle relevante feiten betrokken, waaronder het feit dat verzoekster in Nederland was toegelaten op basis van een visum en dat zij nooit eerder een verblijfsvergunning had gehad.
De belangenafweging resulteerde in een fair balance tussen het privébelang van verzoekster en het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij een restrictief toelatingsbeleid. De voorzieningenrechter vond dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder woog, mede omdat verzoekster het familieleven in Nederland was gaan uitoefenen en niet aannemelijk was dat zij het gezinsleven in Egypte niet kon voortzetten.
Ook de omstandigheden zoals de slechte veiligheidssituatie in Noord-Sinaï en de COVID-19 reisbeperkingen waren onvoldoende om vrijstelling van het mvv-vereiste te rechtvaardigen. De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen had en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wegens ontbreken van een mvv wordt afgewezen.