ECLI:NL:RBDHA:2021:16061

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2021
Publicatiedatum
6 april 2022
Zaaknummer
NL21.11053
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b lid 3 VreemdelingenbesluitArt. 5.1b lid 4 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

Eiser, met de Angolese nationaliteit, werd op 8 juli 2021 geconfronteerd met een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd opgelegd vanwege het risico dat eiser zich zou onttrekken aan toezicht en de uitzettingsprocedure zou ontwijken.

Eiser betwistte niet alle zware en lichte gronden die verweerder aanvoerde, waardoor de rechtbank deze gronden als voldoende beschouwde om de bewaring te dragen. Eiser voerde aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn omdat hij over middelen van bestaan beschikt, een woon- en verblijfplaats heeft en beschikbaar is voor autoriteiten.

De rechtbank oordeelde echter dat verweerder de belangen van eiser voldoende heeft meegewogen en gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk is. De stellingen van eiser over zijn beschikbaarheid en woonplaats konden niet tot een ander besluit leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.11053
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J.K. de Graaff. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Angolese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1985.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3c en 3i en de lichte gronden onder 4a en 4e niet heeft betwist. Deze gronden kunnen, in onderlinge samenhang bezien, de maatregel van bewaring te dragen. Uit deze gronden volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser over de overige gronden heeft aangevoerd, hoeft daarom niet besproken te worden. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiser beschikt namelijk over middelen van bestaan en hij heeft een woon- en verblijfplaats. Eiser is ook beschikbaar voor de autoriteiten, dus een meldplicht was voldoende geweest. Verweerder heeft eiser bovendien jaren niet uitgezet en als verweerder nu wel het voornemen heeft om eiser uit te zetten, kan dat ook buiten detentie.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de maatregel van bewaring de belangen van eiser voldoende meegewogen en voldoende gemotiveerd waarom de bewaring noodzakelijk wordt geacht. Uit de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat eiser stelt dat hij voldoende middelen van bestaan en een woon- en verblijfplaats heeft en dat hij beschikbaar is voor de autoriteiten, zijn geen omstandigheden die maken dat verweerder anders had moeten beslissen. Dat eiser stelt dat verweerder hem jaren niet heeft uitgezet, maakt ook niet dat verweerder met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring had moeten volstaan. Verweerder heeft daarom terecht zijn eigen belangen zwaarder laten wegen dan de belangen van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
22 juli 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. R.J.A. Schaaf T.R. Vos
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.