ECLI:NL:RBDHA:2021:1608

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
25 februari 2021
Zaaknummer
NL20.21645
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2013Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende persoon, diende op 10 oktober 2020 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname aan Slovenië gedaan, dat dit verzoek had aanvaard.

Eiser voerde aan dat hij zijn asielaanvraag in Slovenië niet vrijwillig had ingediend maar onder psychische druk, en dat hij daar onrechtmatig was gedetineerd. Hij verwees naar rapporten over de behandeling van asielzoekers aan de Sloveens-Kroatische grens en vreesde hernieuwde detentie bij terugkeer. Verweerder stelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd voor zijn stellingen.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij onder dwang zijn aanvraag in Slovenië had ingediend of dat hij onrechtmatig was gedetineerd. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel rechtvaardigt het vertrouwen dat Slovenië zijn internationale verplichtingen nakomt. Eiser had geen concrete feiten gesteld die een detentie bij terugkeer aannemelijk maken, noch dat hij geen effectieve klachtenmogelijkheden heeft. De enkele stelling dat hij de taal niet spreekt en onbekend is met het systeem volstaat niet.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het verzoek tot behandeling van de asielaanvraag heeft afgewezen en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.21645

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Igdeli),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.21646, plaatsgevonden op 20 januari 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2002 en de Pakistaanse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 10 oktober 2020 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] . Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Slovenië een verzoek om terugname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert aan dat hij niet uit vrije wil een asielaanvraag in Slovenië ingediend, maar dat hij dit heeft gedaan onder (psychische) druk. Eiser is, in strijd met internationale verplichtingen, gedetineerd geweest in Slovenië. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat eiser geen stukken heeft overgelegd om zijn detentie te onderbouwen. Bij terugkeer naar Slovenië wordt eiser mogelijk weer gedetineerd. In de zienswijze heeft eiser verwezen naar een rapport van het USDOS van 11 maart 2020 en een rapport van InfoKolpa van 1 april 2019 over, onder andere, het weigeren van asielzoekers aan de Sloveens-Kroatische grens. Volgens eiser zien deze rapporten ook op zijn situatie. Gelet op deze rapporten heeft hij er geen vertrouwen in dat de Sloveense autoriteiten zijn asielaanvraag in overeenstemming met de geldende regels zal behandelen. Tot slot voert eiser aan dat het voor hem in de praktijk niet mogelijk is om te klagen over misstanden bij de Sloveense autoriteiten. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling moeten nemen, aldus eiser.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend in Slovenië. Eisers stelling dat hij dit onder druk heeft gedaan, is niet onderbouwd. Daarnaast blijkt dit ook niet uit eisers verklaringen tijdens het aanmeldgehoor. Met het accepteren van het terugnameverzoek staat de verantwoordelijkheid van Sloveense autoriteiten voor het behandelen van eisers asielaanvraag vast. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan verweerder ervan uitgaan dat Slovenië zijn internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dat in zijn geval anders is.
6. Eiser is daarin niet geslaagd. Eiser heeft geen documenten over zijn gestelde detentie in Slovenië overgelegd. Verweerder heeft dit aan eiser mogen tegenwerpen. Het ligt immers op de weg van eiser om zijn relaas aannemelijk te maken. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat geen rechtmatigheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden tijdens zijn gestelde detentie. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat niet is gebleken dat de gestelde detentie niet in overeenstemming zou zijn met de internationale verplichtingen. Niet aannemelijk is gemaakt dat eiser bij terugkeer naar Slovenië in detentie zal worden geplaatst. Eiser heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan aangenomen zou moeten worden dat hem dit daadwerkelijk zal overkomen. In het geval dat eiser in strijd met internationale verplichtingen in detentie wordt geplaatst of indien de Sloveense autoriteiten op een andere wijze in strijd met die verplichtingen handelen, geldt dat eiser zich daarover kan beklagen bij de (hogere) Sloveense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid voor hem niet bestaat of bij voorbaat kansloos is. De enkele stelling dat hij niet wegwijs is in Slovenië en de taal niet spreekt, is onvoldoende voor een ander oordeel. Niet is gebleken dat eiser geen toegang kan krijgen tot tolkendiensten of de hulp van derden niet kan inroepen.
7. Met het claimakkoord hebben de Sloveense autoriteiten gegarandeerd dat zij eisers asielaanvraag inhoudelijk zullen behandelen met inachtneming van de geldende Europese asielrichtlijnen. Van een mogelijke
pushbackzal daarom geen sprake zijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de twee rapporten van het USDOS en InfoKolpa ook zien op Dublinclaimanten.
8. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.