Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[minderjarige 2],V-nummer: [V-nummer] en
[minderjarige 3], V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Demirtas),
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een alleenstaande moeder met drie minderjarige kinderen, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam haar aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiseres voerde aan dat zij kwetsbaar is en dat de omstandigheden in Duitsland slecht waren, met een beroep op het arrest Tarakhel.
De rechtbank overwoog dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit in haar situatie niet geldt. Zij heeft geen bewijs geleverd van structurele gebreken in het Duitse asiel- en opvangsysteem of dat zij speciale bescherming nodig heeft. Ook is niet onderbouwd dat de situatie in Duitsland vergelijkbaar is met die in Italië zoals in het Tarakhel-arrest.
Verder is vastgesteld dat Duitsland met het claimakkoord heeft bevestigd dat haar asielaanvraag in behandeling zal worden genomen en dat de opvangvoorzieningen voldoen aan internationale richtlijnen. De rechtbank concludeerde dat er geen sprake is van indirect refoulement en dat de omstandigheden van eiseres niet uitzonderlijk zijn om een uitzondering op de Dublinverordening te rechtvaardigen.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Eversteijn en griffier T.R. Oosterhoff-Vos op 6 juli 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.