ECLI:NL:RBDHA:2021:16104
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure Iraanse verzoeker
Verzoeker, van Iraanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 15 juni 2021 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met de hoofdzaak op 6 juli 2021. Verzoeker was aanwezig, bijgestaan door een waarnemer van zijn gemachtigde, en er was een tolk aanwezig. De Staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Bij uitspraak van de hoofdzaak (zaaknummer NL21.9347) werd het beroep behandeld, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk werd geacht. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd gedaan op 13 juli 2021 door voorzieningenrechter M.P. Glerum, in aanwezigheid van griffier K.S. Smits. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.