ECLI:NL:RBDHA:2021:16128
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument wegens onvoldoende afhankelijkheidsverhouding met kinderen
Eiser, van Turkse nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument als verzorgende ouder van zijn in Nederland wonende kinderen. De aanvraag werd afgewezen omdat niet was aangetoond dat eiser meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat de kinderen gedwongen zouden zijn de EU te verlaten als aan eiser geen verblijfsdocument wordt verstrekt.
Eiser betoogde dat hij intensief betrokken is bij de zorg en opvoeding van zijn kinderen, ondanks echtscheiding, en dat er een omgangsregeling bestaat. Hij stelde dat het onredelijk is te eisen dat hij dit met documenten onderbouwt en dat onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming had moeten plaatsvinden. Tijdens de zitting liet hij het beroep op artikel 8 EVRM Pro vallen.
De rechtbank oordeelde dat uit de overgelegde stukken en verklaringen niet blijkt dat de zorg- en opvoedingstaken een meer dan marginaal karakter hebben. Ook is geen zodanige afhankelijkheidsrelatie aangetoond dat de kinderen gedwongen zouden zijn de EU te verlaten. De verklaring van de moeder is onvoldoende objectief en de overige stellingen en foto’s overtuigen niet. Er is geen bewijs van gezinsverband en een eigen woning voor de kinderen ontbreekt.
De rechtbank verwierp het betoog dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden en oordeelde dat het horen in bezwaar niet verplicht was omdat het bezwaar niet kon slagen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.