ECLI:NL:RBDHA:2021:16129
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring vreemdeling
Verzoeker heeft tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, waarmee zijn verblijfsrecht is beëindigd en hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard, een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard, maar later ingetrokken door verweerder.
De voorzieningenrechter beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het verzoek en besloot het verzoek te behandelen als een voorlopige voorziening hangende bezwaar vanwege de intrekking van het besluit op bezwaar. Vervolgens werd onderzocht of er sprake was van onverwijlde spoed. Verzoeker stelde dat hij Nederland onmiddellijk moest verlaten en vreemdelingenbewaring dreigde, maar verweerder gaf aan dat er geen uitzettingsdatum bekend was en geen uitzettingshandelingen werden verricht.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen spoedeisend belang was en dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig was. Er waren geen concrete aanwijzingen dat het besluit in de bodemprocedure geen stand zou houden. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatigheid.