Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 2 juli 2021 in de zaak tussen
,eiser,
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Eritrese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis asiel. Verweerder wees deze aanvraag af omdat eiser zijn identiteit niet aannemelijk had gemaakt en geen bewijsnood bestond. Eiser voerde aan dat hij geen identiteitsdocumenten kon overleggen omdat hij al op jonge leeftijd uit Eritrea was vertrokken en sindsdien in Israël verbleef, waar hij een conditional release-document had ontvangen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had geoordeeld dat eiser niet in bewijsnood verkeerde. De enkele verklaring van eiser was onvoldoende toegespitst op zijn persoonlijke situatie. Het overgelegde conditional release-document werd niet als substantieel indicatief bewijs gezien omdat het gebaseerd was op door eiser verstrekte gegevens, een andere geboortedatum vermeldde, de pasfoto nauwelijks zichtbaar was en het document niet vertaald was.
De rechtbank stelde dat verweerder daarom niet verplicht was nader onderzoek te doen naar de identiteit van eiser. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het besluit duidelijk was en de bezwaarschriften geen aanleiding gaven tot een ander besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.