ECLI:NL:RBDHA:2021:16182

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2021
Publicatiedatum
25 april 2022
Zaaknummer
NL21.10283
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen bewaring in Dublinprocedure wegens zicht op overdracht

Eiser, een Dublinclaimant met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 27 juni 2021 in bewaring gesteld door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

Tijdens de zitting op 5 juli 2021 werd het beroep behandeld. Eiser voerde aan dat hij niet kon worden uitgezet naar Marokko vanwege het ontbreken van identiteitsdocumenten, en dat er op grond van jurisprudentie geen zicht zou zijn op uitzetting. De rechtbank overwoog echter dat het niet gaat om zicht op uitzetting naar Marokko, maar om zicht op overdracht aan Oostenrijk binnen de Dublinprocedure.

De rechtbank stelde vast dat de Staatssecretaris een claimverzoek aan Oostenrijk had gedaan en dat de reactietermijn nog niet verstreken was. Er was geen reden om aan te nemen dat Oostenrijk de overdracht zou weigeren. De voortzetting van de bewaring werd gezien als een noodzakelijk middel in afwachting van de reactie van Oostenrijk, en niet als straf. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.10283
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Chbab. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1997].
3. Eiser voert ten eerste aan dat hij niet kan worden uitgezet naar Marokko, omdat hij
geen identiteitsdocumenten heeft. Daarom is er volgens hem, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geen zicht op uitzetting.
4. De rechtbank overweegt dat eiser in een Dublinprocedure zit, waardoor het niet gaat om het zicht op uitzetting maar om de vraag of er zicht op overdracht is. De rechtbank is van oordeel dat zicht op overdracht bestaat. Verweerder heeft bij de Oostenrijkse autoriteiten een claimverzoek ingediend. Zij hebben nog niet gereageerd, maar de reactietermijn is nog niet verstreken. Er is op dit moment voor verweerder geen aanleiding om aan te nemen dat de Oostenrijkse autoriteiten eiser niet terug zullen nemen. Dat betekent dat de rechtbank op dit moment niets kan zeggen over een eventueel zicht op uitzetting naar Marokko, omdat de Oostenrijkse autoriteiten daarover moeten beslissen als ze akkoord gaan met het claimverzoek. Dit betekent ook dat verweerder geen lichter middel heeft hoeven opleggen. Het voortduren van de inbewaringstelling is geen straf, maar heeft te maken met het feit dat verweerder de reactie van de Oostenrijkse autoriteiten nog moet afwachten. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2021 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
09 juli 2021

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.