ECLI:NL:RBDHA:2021:16185

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 augustus 2021
Publicatiedatum
25 april 2022
Zaaknummer
NL21.11564
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitECLI:EU:C:2021:506
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring en schadevergoeding wegens niet bestendig vertrek uit Nederland

Eiser, een Poolse staatsburger, werd op 11 juli 2021 onder bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit werd beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. Verweerder hief de bewaring op op 21 juli 2021. De rechtbank behandelde het beroep op 26 juli 2021.

De kern van het geschil betrof de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of eiser recht had op schadevergoeding. Eiser stelde dat hij Nederland had verlaten en twee weken in België verbleef, waarmee hij zou hebben voldaan aan zijn vertrekplicht. De rechtbank oordeelde echter dat eiser niet bestendig uit Nederland was vertrokken, omdat hij na twee weken terugkeerde om te werken en zich niet meldde bij de autoriteiten.

De rechtbank baseerde zich op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2021, waarin werd geoordeeld dat een verwijderingsbesluit niet is nageleefd zonder daadwerkelijke en effectieve beëindiging van het verblijf in de gastlidstaat. De gronden voor bewaring waren daarom terecht en voldoende gemotiveerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.11564
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Wortel), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. K. Nuninga).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 21 juli 2021 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Poolse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1983] .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
4. Eiser voert aan dat de zware gronden onder 3b en 3c en de lichte grond onder 4a niet aan hem kunnen worden tegengeworpen. Hij heeft Nederland namelijk verlaten en is naar België gegaan, nadat hij het besluit had gekregen dat hij Nederland binnen 28 dagen moest verlaten. Dit blijkt in ieder geval uit de kopieën van fysieke treinkaartjes uit België. Hij is twee weken in België geweest.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zware gronden onder 3b en 3c en de lichte grond onder 4a terecht aan eiser heeft tegengeworpen. Eiser heeft zelf aangegeven dat hij Nederland twee weken heeft verlaten en dat hij vervolgens weer is teruggekomen, omdat hij wilde werken. Verweerder stelt terecht dat eiser hiermee niet bestendig uit Nederland is vertrokken. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 22 juni 20213. In deze uitspraak heeft het HvJEU geoordeeld dat aan een verwijderingsbesluit tegen een Unieburger niet is voldaan wanneer geen sprake is van een daadwerkelijk en effectieve beëindiging van het verblijf van de Unieburger in de gastlidstaat. Het is niet voldoende wanneer de Unieburger het grondgebied van die gastlidstaat alleen fysiek heeft verlaten. Door enkel twee weken naar België te vertrekken, heeft eiser dus geen gevolg gegeven aan zijn vertrekplicht en de zware grond onder 3c is daarmee feitelijk juist. Nadat eiser naar Nederland is teruggekomen, heeft hij zich niet gemeld, waardoor ook de zware grond onder 3b en de lichte grond onder 4a terecht zijn tegengeworpen. Verweerder heeft deze gronden ook voldoende gemotiveerd in de maatregel van bewaring. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de lichte grond onder 4c niet heeft betwist.
6. De zware gronden onder 3b en 3c en de lichte gronden onder 4a en 4c, kunnen, in onderlinge samenhang bezien, de maatregel van bewaring dragen. Wat eiser over de lichte grond onder 4d heeft aangevoerd, hoeft daarom niet besproken te worden. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3 ECLI:EU:C:2021:506.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
03 augustus 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. D. Verduijn T.R. Vos
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.