ECLI:NL:RBDHA:2021:16189

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2021
Publicatiedatum
25 april 2022
Zaaknummer
NL21.10892
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser, met de Guinese nationaliteit, werd op 4 februari 2021 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen het voortduren van deze maatregel stelde hij beroep in. De rechtbank had eerder vastgesteld dat de bewaring tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. De vraag in deze procedure betrof of de bewaring na dat moment onrechtmatig was.

De rechtbank beoordeelde dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld in het kader van de uitzetting, waaronder het aanvragen van een laissez passer bij de Guinese autoriteiten en het voeren van een vertrekgesprek met eiser. Wel oordeelde de rechtbank dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de belangenafweging op 13 juli 2021 ten gunste van eiser werd gewijzigd, terwijl op 7 juli nog werd gesteld dat eiser onvoldoende medewerking verleende.

Hierdoor werd de bewaring vanaf 8 juli 2021 onrechtmatig geacht. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €100 per dag voor zes dagen onrechtmatige bewaring, totaal €600. Tevens werden proceskosten van €748 toegewezen aan eiser. De uitspraak is definitief en niet meer aan te vechten.

Uitkomst: De rechtbank kent een schadevergoeding van €600 toe wegens zes dagen onrechtmatige bewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.10892
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Akkas), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Verweerder heeft op 4 februari 2021 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 13 juli 2021 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Guinese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1996] .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 juni 2021 (in de zaak NL21.8647) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser stelt dat verweerder de uitzetting onvoldoende voortvarend ter hand heeft genomen. Verweerder heeft namelijk sinds 15 juni 2021 geen uitzettingshandeling verricht. Ook stelt eiser dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Tot slot stelt eiser dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging niet eerder dan op 13 juli 2021 in zijn voordeel is uitgevallen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden voor het oordeel dat het zicht op de uitzetting van eiser naar Guinee op enig moment heeft ontbroken. Verweerder heeft namelijk een laissez passer (lp) aangevraagd bij de Guinese autoriteiten. Deze autoriteiten hebben de lp-aanvraag in behandeling genomen. Zij hebben niet kenbaar gemaakt dat de
lp-aanvraag zou worden afgewezen. Deze beroepsgrond faalt.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook sinds 15 juni 2021 voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt. Zo heeft verweerder nog op 23 juni 2021 gerappelleerd bij de Guinese autoriteiten en heeft verweerder op 7 juli 2021 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Er is voor verweerder geen aanleiding geweest om méér of andere handelingen te verrichten. Ook deze beroepsgrond faalt dus.
7. Nog op 7 juli 2021 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende medewerking aan zijn uitzetting had verleend. Dit is op dat moment voor verweerder (mede) aanleiding geweest om de belangenafweging in het nadeel van eiser te laten uitvallen. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Echter, verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt op basis van welke gewijzigde feiten of omstandigheden hij het standpunt heeft ingenomen dat de belangenafweging slechts zes dagen later in het voordeel van eiser diende uit te vallen. Onduidelijk is gebleven of de feiten of omstandigheden die verweerder op 13 juli 2021 in ogenschouw heeft genomen, zich niet al eerder voordeden. Het besluit lijdt aldus aan een motiveringsgebrek. Deze beroepsgrond slaagt.
8. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring met ingang van 8 juli 2021 onrechtmatig is geworden. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor zes dagen onrechtmatige bewaring in een detentiecentrum. Voor elke dag krijgt eiser € 100,-, dus in totaal € 600,-.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 748,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken op:
27 juli 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. R.J.A. Schaaf Rechter
Rechtbank Midden-Nederland
K.F.K. Hoogbruin Griffier
Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.