ECLI:NL:RBDHA:2021:16206
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening faciliterend visum wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster, van Thaise nationaliteit, heeft een aanvraag gedaan voor een faciliterend visum op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Dit verzoek volgde op eerdere afwijzingen van verblijfsaanvragen en bezwaarprocedures. De zoon van verzoekster, met de Nederlandse nationaliteit, woont in Thailand waar hij volgens verzoekster wordt gediscrimineerd en ongelukkig is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de voorlopige voorziening verstrekkend is en alleen kan worden toegewezen bij een zwaarwegend spoedeisend belang en twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit. Verzoekster heeft onvoldoende objectieve bewijsstukken overlegd die haar noodsituatie en die van haar zoon onderbouwen, zoals het onvermogen om medicatie te betalen of het niet kunnen werken.
Ook is vastgesteld dat de zoon momenteel naar school gaat en dat de discriminatie niet concreet is aangetoond. De verklaringen van verzoekster en haar gemachtigde zijn subjectief en de medische verklaring is onvoldoende betrouwbaar. Daarom is het spoedeisend belang niet aangetoond en wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor het faciliterend visum wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.