Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2021 in de zaak tussen
de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Standpunt eiseres
Rechtbank Den Haag
Eiseres, van Chinese nationaliteit, vroeg op 26 december 2019 een visum voor kort verblijf aan om familie in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag op 6 januari 2020 af vanwege onbetrouwbare informatie over het doel en de omstandigheden van het verblijf en twijfel over het vertrek voor het verstrijken van het visum.
In het bestreden besluit van 11 juni 2020 werd het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, waarbij de afwijzing werd gebaseerd op de uitbraak van het coronavirus, waardoor eiseres als een bedreiging voor de volksgezondheid werd beschouwd. Eiseres betoogde dat de reisbeperkingen tijdelijk waren en dat de beperkingen mogelijk al waren opgeheven tijdens haar reisdata, en dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door niet te wachten met het besluit.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het visum had geweigerd op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, omdat COVID-19 een epidemische ziekte is en een dwingende weigeringsgrond vormt. Eiseres viel niet onder uitzonderingen van het Europese inreisverbod. De rechtbank vond dat verweerder niet onzorgvuldig had gehandeld en dat het besluit rechtmatig was, ook al werd op 30 juni 2020 bekend dat China niet langer als risico werd gezien.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wegens COVID-19 risico is ongegrond verklaard.