Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen
[eiseres] ,
,eiseres
Rechtbank Den Haag
Eiseres heeft op 11 december 2019 een visum kort verblijf aangevraagd om haar echtgenoot te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiseres onvoldoende het doel en de omstandigheden van haar verblijf had aangetoond en onvoldoende sociale en economische binding met Marokko had. Bij het bestreden besluit werd de afwijzing gehandhaafd met als aanvullende grond dat eiseres vanwege de coronapandemie een gevaar voor de volksgezondheid vormde.
Eiseres stelde dat verweerder nadere voorwaarden had kunnen stellen en dat zij niet gehoord was over de nieuwe afwijzingsgrond, wat in strijd zou zijn met de eigen werkinstructie. De rechtbank oordeelde dat het categoriaal inreisverbod voor derdelanders vanwege COVID-19 onbetwist was en dat eiseres niet onder een uitzonderingscategorie viel. De Visumcode biedt geen ruimte voor een voorwaardelijk visum en het horen van eiseres was niet vereist omdat het geen ander besluit zou opleveren.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege het geldende categoriaal inreisverbod.