Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen
[eiser] ,
,eiser
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft een visum kort verblijf aangevraagd om zijn verloofde te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende het doel en de omstandigheden van het verblijf had aangetoond en onvoldoende binding met zijn land van herkomst had. Daarnaast werd de aanvraag bij bezwaar opnieuw afgewezen vanwege het categorale inreisverbod in verband met de coronapandemie.
Eiser stelde dat verweerder nadere voorwaarden had kunnen stellen en dat hij gehoord had moeten worden over de gewijzigde afwijzingsgrond in bezwaar, conform de eigen werkinstructie. De rechtbank oordeelde dat het categorale inreisverbod een geldige grond is voor afwijzing en dat de Visumcode geen ruimte biedt voor een voorwaardelijk visum.
Verder was het horen van eiser niet verplicht omdat uit de aanvraag en het bezwaarschrift duidelijk bleek dat eiser niet onder een uitzonderingscategorie viel. Gelet op het categorale karakter van het inreisverbod zou het horen niet tot een ander besluit hebben geleid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege het categorale corona-inreisverbod.