Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen
[eiser] ,
,eiser
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft op 29 augustus 2019 een visum kort verblijf aangevraagd voor vakantie. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag af omdat eiser onvoldoende het doel en de omstandigheden van het verblijf aantoonde en onvoldoende sociale en economische binding met Marokko had. Bij het bestreden besluit werd het bezwaar van eiser eveneens afgewezen, waarbij verweerder het corona-inreisverbod als grondslag aanvoerde.
Eiser betoogde dat verweerder nadere voorwaarden had kunnen stellen en dat hij niet gehoord was over de nieuwe afwijzingsgrond in bezwaar, wat volgens hem in strijd was met de werkinstructie 2019/16. De rechtbank oordeelde dat het corona-inreisverbod een geldig categoriaal inreisverbod vormde en dat eiser niet onder een uitzonderingscategorie viel. De Visumcode laat geen ruimte voor een voorwaardelijk visum.
Verder stelde de rechtbank vast dat het horen van eiser niet noodzakelijk was omdat uit de aanvraag en het bezwaar duidelijk bleek dat eiser niet onder een uitzonderingscategorie viel en het horen geen ander besluit zou hebben opgeleverd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens het corona-inreisverbod en onvoldoende binding.