ECLI:NL:RBDHA:2021:16254
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering verblijfsvergunning asiel wegens ongeloofwaardig asielrelaas
Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende jongvolwassene, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat hij en zijn familie onder druk werden gezet door de gebroeders A om afstand te doen van aandelen in het familiebedrijf na het overlijden van zijn vader. Tevens ontving zijn moeder een dreigbrief, waarna eiser Irak verliet.
De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardigheid van het relaas, met name vanwege het ontbreken van bewijsstukken over de aandelen, het niet overleggen van de dreigbrief en de late en onduidelijke aangifte van de moeder. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen geloof hechtte aan deze onderdelen, omdat eiser onvoldoende bewijs leverde en de omstandigheden niet aannemelijk waren.
De rechtbank concludeerde dat het asielrelaas op belangrijke punten ongeloofwaardig was en verklaarde het beroep ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.