ECLI:NL:RBDHA:2021:16263
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening mvv-vrijstelling op grond van familieleven en privéleven
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van familieleven en privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro. Deze aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan de vrijstellingsvoorwaarden.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft bij mondelinge uitspraak op 10 februari 2021 het verzoek afgewezen. De rechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende bewijs leverde voor het bestaan van hechte persoonlijke banden met zijn dochter, mede omdat het contact en de intensiteit daarvan onvoldoende onderbouwd waren. Daarnaast werd vastgesteld dat verzoeker al 18 jaar in Nederland verblijft, maar zonder rechtmatig verblijf, en dat hij onvoldoende heeft aangetoond dat hij een privéleven heeft opgebouwd dat vrijstelling van het mvv-vereiste rechtvaardigt.
Het beroep op de hardheidsclausule werd verworpen omdat de coronapandemie slechts een tijdelijke belemmering vormt en geen vrijstelling van het mvv-vereiste rechtvaardigt. De belangenafweging tussen het restrictieve toelatingsbeleid van Nederland en het privéleven van verzoeker viel in het nadeel van verzoeker uit. De voorzieningenrechter verleende wel griffierechtvrijstelling aan verzoeker, maar zag geen aanleiding voor een voorlopige voorziening of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van hechte persoonlijke banden en het ontbreken van een geldige mvv.