Eiseres, van Syrische nationaliteit, had een visum voor kort verblijf aangevraagd om haar familie in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd op 4 april 2019 afgewezen vanwege onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf. Bij het bestreden besluit van 21 maart 2020 werd het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres stelde dat verweerder het bezwaar had moeten aanhouden vanwege de tijdelijke aard van de COVID-19 pandemie en dat zij op humanitaire gronden in aanmerking kwam voor een uitzondering op het Europese inreisverbod. Tevens stelde zij dat zij hierover had moeten worden gehoord.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag had afgewezen en niet verplicht was het bezwaar aan te houden. Wel was het onterecht dat verweerder afzag van het horen van eiseres, maar dit gebrek werd gepasseerd omdat eiseres haar standpunt alsnog mondeling kon toelichten. De rechtbank vond geen aanleiding voor een ex-nunc toetsing en verklaarde het beroep ongegrond.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €178 en de proceskosten van €1.496, vanwege het onterecht afzien van het horen. Het beroep tegen de uitspraak is niet mogelijk.