ECLI:NL:RBDHA:2021:16269

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2021
Publicatiedatum
9 mei 2022
Zaaknummer
AWB 20/3875
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 32 VisumcodeArt. 84 Vw
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens coronapandemie als bedreiging volksgezondheid

Eiser diende op 31 oktober 2019 een aanvraag in voor een visum kort verblijf om zijn oom te bezoeken. Verweerder wees deze aanvraag af bij besluit van 13 november 2019, omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en twijfel bestond over het vertrek vóór het verstrijken van het visum.

Na bezwaar verklaarde verweerder het bezwaar ongegrond bij besluit van 9 april 2020, waarbij een nieuwe weigeringsgrond werd gehanteerd: de uitbraak van het coronavirus vormt een bedreiging voor de volksgezondheid. Eiser stelde dat deze wijziging van de weigeringsgrond onrechtmatig was en dat verweerder niet aan zijn motiveringsplicht had voldaan.

De rechtbank oordeelt dat de coronapandemie als epidemische ziekte een dwingende weigeringsgrond is volgens de Schengengrenscode en dat verweerder terecht een volledige heroverweging heeft uitgevoerd. Het gebruik van een nieuwe weigeringsgrond in het bestreden besluit is toegestaan en er is geen motiveringsgebrek. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wegens coronapandemie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/3875

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser] geboren op [geboortedatum] 1993, van Marokaanse nationaliteit, eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linneman),
en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 31 oktober 2019 tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 9 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Eiser heeft een aanvraag voor een visum kort verblijf ingediend voor een bezoek tijdens de zomervakantie aan zijn oom (referent).
In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en het voornemen om Nederland te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kan worden vastgesteld.
Het bestreden besluit
3. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de aanvraag afgewezen op de grond dat eiser door de uitbraak van het coronavirus wordt beschouwd als een bedreiging voor de volksgezondheid. Verweerder heeft de eerdere afwijzingsgronden onbesproken gelaten.
Standpunt eiser
4. Eiser vindt dat verweerder niet zomaar de weigeringsgrond in het bestreden besluit mocht wijzigen. Volgens eiser had verweerder eerst een voornemen of een concept-besluit moeten nemen. De bestreden beslissing kan volgens eiser door het inroepen van een nieuwe weigeringsgrond niet beschouwd worden als het resultaat van de verplichte heroverweging in bezwaar. Verweerder handelt verder in strijd met de motiveringsplicht door niet in te gaan op de gronden van bezwaar.

Beoordeling door de rechtbank

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het visum terecht afgewezen. De rechtbank legt dit hieronder uit.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat de coronapandemie kan worden aangemerkt als een epidemische ziekte als bedoeld in de Schengengrenscode en dat dit een dwingende weigeringsgrond betreft. Ook betwist eiser niet dat hij niet valt onder één van de uitzonderingscategorieën van het zogenoemde Europese inreisverbod waaraan wel toegang moet worden verleend.
7. Op grond van artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats. Verweerder is bij deze volledige heroverweging niet gebonden aan de feiten en argumenten die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. [1] Het hanteren van een niet eerder ingeroepen weigeringsgrond in het bestreden besluit, is naar het oordeel van de rechtbank wel het resultaat van een heroverweging van het primaire besluit. Deze beroepsgrond faalt.
8. Verweerder heeft de relevante omstandigheden om vast te stellen dat eiser een gevaar vormt voor volksgezondheid bij de beoordeling betrokken. Dit betreft een dwingende weigeringsgrond in de zin van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a sub vi van de Visumcode, op grond waarvan verweerder de aanvraag al mocht afwijzen. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om de bezwaargronden tegen de weigeringsgronden uit het primaire besluit inhoudelijk te bespreken. Er is dus geen sprake van een motiveringsgebrek. Evenmin was er voor verweerder aanleiding om eerst een voornemen of een concept-besluit uit te brengen. Ook deze beroepsgrond faalt.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 28 juli 2021 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Op grond van artikel 84, onder b, van de Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2483.