ECLI:NL:RBDHA:2021:16273
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning familie en gezin
Verzoekster heeft op 31 maart 2020 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel familie en gezin bij een referent. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft dit primaire verzoek op 7 oktober 2020 afgewezen. Vervolgens verklaarde de IND op 4 maart 2021 het bezwaar van verzoekster ongegrond. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 2 juli 2021, tezamen met een gerelateerde zaak. Verzoekster verscheen met een gemachtigde en tolk, terwijl de verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk was omdat de hoofdzaak reeds was behandeld en een uitspraak was gedaan.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd openbaar gedaan en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.