ECLI:NL:RBDHA:2021:16278
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens bedreiging volksgezondheid door COVID-19
Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, vroeg op 24 december 2019 een visum voor kort verblijf aan voor een vakantiebezoek aan een vriendin in Nederland. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag op 10 januari 2020 af, omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en het vertrek uit Nederland vóór het verstrijken van het visum niet kon worden vastgesteld.
Bij besluit van 19 mei 2020 verklaarde de Staatssecretaris het bezwaar van eiser ongegrond, waarbij als aanvullende grond werd genoemd dat eiser door de uitbraak van het coronavirus een bedreiging voor de volksgezondheid vormde. Eiser stelde dat hij niet ziek was en dat een coronatest een minder ingrijpende maatregel was. Ook betoogde hij dat de beslissing op bezwaar had moeten worden aangehouden vanwege de tijdelijke aard van de reisbeperkingen.
De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris terecht het visum had afgewezen op grond van de dwingende weigeringsgrond van artikel 32 van Pro de Visumcode, omdat eiser als reiziger uit het buitenland een mogelijke bedreiging voor de volksgezondheid vormde. De rechtbank vond dat de Staatssecretaris niet verplicht was de bezwaargronden inhoudelijk te bespreken of de beslissing aan te houden. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser werd vrijgesteld van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege een bedreiging van de volksgezondheid door COVID-19.