Eiser diende op 28 juni 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het uitblijven van een besluit stelde eiser verweerder op 17 februari 2020 in gebreke en ging op 14 maart 2020 in beroep tegen het niet tijdig beslissen. Verweerder besloot uiteindelijk op 24 juli 2020 de aanvraag toe te wijzen en legde een dwangsom van €322,- op, waartegen eiser bezwaar maakte.
De rechtbank oordeelt dat de coronacrisis als overmacht kan gelden, maar slechts voor de periode van 16 maart tot 16 mei 2020. Voor de overige perioden was het niet onmogelijk om te beslissen. Daarom is de dwangsom over de periode van 3 maart tot 16 maart 2020 en van 16 mei tot 24 juli 2020 verschuldigd, wat leidt tot een dwangsom van €567,-. De rechtbank vernietigt het besluit voor zover het de hoogte van de dwangsom betreft en stelt deze zelf vast.
Daarnaast verklaart de rechtbank het tweede beroep van eiser tegen hetzelfde besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €534,- aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter B. Fijnheer op 29 april 2021 en wordt openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.