ECLI:NL:RBDHA:2021:16338

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2021
Publicatiedatum
18 mei 2022
Zaaknummer
NL21.7134
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid communicatieproblemen en gegrondheid bewaring

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelde dat het voortraject gebrekkig was omdat de piketmelding pas na het gehoor werd verstuurd en zij het doel van het gehoor niet begreep vanwege taalbarrières.

De rechtbank stelde vast dat uit het proces-verbaal blijkt dat eiseres geen rechtsbijstand wenste en dat het doel van het gehoor duidelijk was toegelicht. De gestelde communicatieproblemen werden niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast zijn de zware gronden voor bewaring, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht en het niet opvolgen van een terugkeerbesluit, voldoende onderbouwd.

Eiseres voerde aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend was, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder terecht niet volstond met een lichter middel gezien het eerdere terugkeerbesluit en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.7134
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. V.M. Oliana), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H. Remerie).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiser had ook beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit. Ter zitting heeft zij evenwel meegedeeld dat zij dit beroep zal intrekken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw M.A. van der Kleij. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het voortraject
1. Eiseres voert aan dat er een gebrek kleeft aan het voortraject, omdat de piketmelding pas na het gehoor voor inbewaringstelling is verstuurd. Op de piketmelding staat aangegeven dat eiseres geen raadsman wenste te spreken. Aangezien zij echter niet begreep wat het precieze doel was van het gehoor, had verweerder niet mogen afgaan op deze mededeling. De onduidelijkheid kan gelegen zijn geweest in de omstandigheid dat Engels niet de moedertaal van eiseres is.
2. De rechtbank stelt vast dat zowel uit de piketmelding, het proces-verbaal van het gehoor voor inbewaringstelling en het proces-verbaal van ophouding blijkt dat eiseres heeft aangegeven geen rechtsbijstand van een advocaat bij het gehoor hoefde te hebben. Uit het
proces-verbaal van het gehoor voor inbewaringstelling blijkt voorts dat aan eiseres is uitgelegd wat het doel was van het gehoor en dat zij in de gelegenheid werd gesteld om haar zienswijze te geven. Eiseres heeft de gestelde communicatieproblemen niet aannemelijk gemaakt. Zo blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor niet dat er onduidelijkheden waren over het doel en de inhoud van het gehoor. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het Engels tot onduidelijkheden zou hebben geleid. De rechtbank is van oordeel dat er geen gebrek kleeft aan het voortraject. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
De maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiseres:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden2 vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
4. Eiseres betwist de zware grond onder 3i en de lichte gronden onder 4c en 4d.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3b en 3c niet heeft betwist. Deze gronden zijn feitelijke juist en voldoende gemotiveerd in de maatregel. Ook de lichte grond onder 4c is feitelijk juist en het risico op onttrekking wat hieruit volgt is voldoende toegelicht door verweerder. Eiseres staat immers niet ingeschreven op het door haar gestelde verblijfadres. Deze twee zware en één lichte grond kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Al om die reden slaagt de beroepsgrond niet. De rechtbank laat daarom de overige geschilpunten over de gronden van de bewaring onbesproken.
Lichter middel
6. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel in de vorm van een meldplicht. Eiseres heeft namelijk de adresgegevens van haar vaste verblijfplaats opgegeven.
7. In haar uitspraak van 10 april 20153 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat verweerder in de maatregel van bewaring moet motiveren
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
waarom hij niet met toepassing van een lichter middel kan volstaan. Daarbij moet hij, in aanvulling op de bewaringsgronden en de toelichting daarop, beoordelen of de vreemdeling bijzondere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die de maatregel onevenredig maken. Indien verweerder van oordeel is dat de vreemdeling dergelijke feiten en omstandigheden niet heeft aangevoerd, dan moet hij dat in de maatregel van bewaring kenbaar maken.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eiser niet hoefde te volstaan met een lichter middel. Daarbij is van belang dat eiseres al in 2019 een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen. Aan dit besluit heeft zij tot op heden geen gevolg gegeven. De enkele stelling ter zitting dat zij kan verblijven op het door haar genoemde adres, is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder een meldplicht had moeten opleggen. Verweerder heeft in dit verband mogen aanvoeren dat hij dit adres niet beschouwt als de vaste woon- of verblijfsplaats van eiseres. Eiseres staat op dit adres namelijk niet ingeschreven. Eén en ander blijkt afdoende uit de motivering van de lichte grond onder 4c. Daarnaast zijn er voldoende bewaringsgronden waaruit het risico op onttrekking blijkt. Verweerder heeft afdoende gemotiveerd waarom ten aanzien van eiser niet behoeft te worden volstaan met een lichter middel.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 mei 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl

Documentcode: [nummer]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.