Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Georgische nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 7 juli 2021 geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor twee jaar, alsmede een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit onterecht was omdat er een lopende verblijfsprocedure in Polen was en dat hij aan het terugkeerbevel had voldaan.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet had aangetoond dat hij aan het terugkeerbevel had voldaan. Daarnaast waren de door verweerder aangevoerde zware gronden voor bewaring, waaronder het overschrijden van de vrije termijn van 90 dagen en het niet melden bij de autoriteiten, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken was daarmee aannemelijk.
Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de uitzetting, maar de rechtbank stelde vast dat er een vertrekgesprek had plaatsgevonden en een vlucht was aangevraagd, waarmee voldoende voortvarendheid was aangetoond.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit, inreisverbod en de maatregel van bewaring ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.