ECLI:NL:RBDHA:2021:16364
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering visum kort verblijf wegens openbare orde door België
Eiser diende op 24 oktober 2018 een aanvraag in voor een visum kort verblijf, welke door verweerder werd geweigerd op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, omdat België bezwaar maakte wegens een bedreiging voor de openbare orde door oplichting. De rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard wegens gebrek aan motivering over welke lidstaat bezwaar maakte en waarom.
Na hernieuwde besluitvorming door verweerder, waarbij de motivering nog steeds onvoldoende was, verwees het HvJ EU in een arrest van 24 november 2020 naar de verplichting om de lidstaat en de specifieke weigeringsgrond te vermelden. Verweerder gaf later aan dat België bezwaar maakte en noemde contactadressen voor beroep, waarmee de motiveringsplicht werd geacht te zijn vervuld.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit III gebrekkig was gemotiveerd en verklaarde het beroep gegrond. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand omdat de procedure correct is gevolgd en verweerder zich ervan heeft vergewist dat eiser de juiste persoon is. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 30 juli 2020 wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.