Eiser, een militair met een psychische dienstverbandaandoening (PTSS) en aanvullende somatische klachten, verzocht om financiële hulp bij de aanschaf van een auto. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser niet voor alle vervoer afhankelijk is van een auto. Eiser betwistte dit en stelde dat zijn mobiliteitsbeperkingen ernstiger zijn dan erkend, en verzocht om een psychiatrisch onderzoek.
De rechtbank oordeelde dat het geschil niet de klasse-indeling van invaliditeit betreft, maar de toekenning van een vervoersvoorziening. De rechtbank zag geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. Het beleid stelt dat financiële hulp voor een auto alleen wordt toegekend als iemand voor alle vervoer buitenshuis afhankelijk is van een auto vanwege ernstige psychische beperkingen.
Medisch onderzoek toonde niet aan dat eiser niet met een taxi kan reizen of dat het niet toekennen van de voorziening tot ernstige psychische decompensatie of bestaansverschraling leidt. Ook was er geen dienstverband erkend voor een mogelijk psychotisch toestandsbeeld. De rechtbank vond het besluit van verweerder redelijk en verklaarde het beroep ongegrond.