ECLI:NL:RBDHA:2021:16387

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 augustus 2021
Publicatiedatum
31 mei 2022
Zaaknummer
NL21.5704
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting Cubaanse verzoekster wegens mvv-vereiste

Verzoekster, een Cubaanse vrouw die sinds 2017 in Nederland verblijft zonder geldige verblijfsvergunning, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning als gezinslid bij een referent met een verblijfsvergunning. Deze aanvraag werd afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verzoekster maakte bezwaar tegen deze afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op zitting waarbij verzoekster en haar gemachtigde verschenen. Verweerder stelde dat verzoekster kon terugkeren naar Cuba via een repatriëringsverzoek om daar alsnog een mvv aan te vragen. Verzoekster betwistte dit standpunt en gaf aan dat zij geen reële mogelijkheid heeft om via repatriëring terug te keren, mede omdat zij haar burgerschapsrechten in Cuba heeft verloren door langdurig verblijf in het buitenland.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster onvoldoende gelegenheid had gehad om het nieuwe standpunt van verweerder te betwisten en dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Daarom werd een voorlopige voorziening getroffen die uitzetting verbiedt totdat op het bezwaar is beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter R.J.A. Schaaf en griffier R.G.A. Beijen op 13 augustus 2021 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Verzoekster mag niet worden uitgezet totdat op haar bezwaar is beslist; griffierecht en proceskosten worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.5704
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , geboren op [1993] , van Cubaanse nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer] , verzoekster (gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: R.P.G. van Bel).

Procesverloop

In het besluit van 11 april 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als familie of gezinslid bij [A] ’ afgewezen.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juli 2021 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Marovich. Daarnaast is verschenen [A] (referente). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Verzoekster is op 21 augustus 2017 met een visum kort verblijf (30 dagen) Nederland ingereisd. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van dit visum is zij in Nederland gebleven. Verzoekster heeft op 30 oktober 2020 een aanvraag ingediend voor een
verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’. Referente heeft de Russische nationaliteit en beschikt in Nederland over een verblijfsvergunning.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat zij geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft. Verweerder ziet geen aanleiding om verzoekster vrij te stellen van het mvv-vereiste. Volgens verweerder is de uitzetting van verzoekster naar Cuba niet in strijd met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder leidt de weigering om verzoekster vrij te stellen van het mvv-vereiste niet tot een onbillijkheid van overwegende aard, aldus verweerder.
Standpunt van verzoekster
4. Verzoekster is het hiermee niet eens. Zij voert aan dat zij niet terug kan keren naar Cuba. Zij heeft namelijk zonder toestemming van de Cubaanse autoriteiten meer dan 24 maanden buiten Cuba verbleven. Als gevolg hiervan heeft zij haar burgerschapsrechten verloren. Zij kan slechts voor kort verblijf terugkeren, als zij kan aantonen dat zij in een land buiten Cuba over rechtmatig verblijf beschikt. Hiervan is geen sprake. Aldus is er voor haar geen mogelijkheid om in Cuba een mvv aan te vragen.
Repatriëringsverzoek
5. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 28 juli 2021 het aanvullende standpunt ingenomen dat verzoekster bij de Cubaanse autoriteiten een repatriëringsverzoek kan indienen. Langs deze weg kan zij terugkeren naar Cuba om zo een mvv aan te vragen, aldus verweerder.
6. Verzoekster heeft ter zitting aangevoerd dat zij geen kans heeft gehad om dit nieuwe standpunt van verweerder gemotiveerd te betwisten. Evenmin heeft zij kunnen onderzoeken of een repatriëringsverzoek voor haar een reële mogelijkheid is. Zij heeft voorafgaand aan haar aanvraag om een verblijfsvergunning informatie over haar terugkeermogelijkheden ingewonnen bij de Cubaanse ambassade en bij een Cubaanse jurist. De optie van repatriëring is daarbij toen niet besproken of geopperd.
Oordeel van de voorzieningenrechter
7. De voorzieningenrechter moet beoordelen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
8. Verweerder heeft in de bezwaarfase en kort vóór de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening het aanvullende standpunt ingenomen dat verzoekster op basis van repatriëring kan terugkeren naar Cuba. Hierdoor heeft verzoekster dit nieuwe standpunt slechts kaal kunnen betwisten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient verzoekster de gelegenheid te krijgen om deze betwisting nader te onderbouwen. Verzoekster heeft ter zitting aangegeven dat zij in dit verband inmiddels al vragen heeft uitgezet bij een Cubaanse jurist.
9. De voorzieningenrechter kan bij deze stand van zaken nog niet vooruitlopen op de uitkomst van het bezwaar. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Al om deze reden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorziening houdt in dat verzoekster de beslissing op haar bezwaar in Nederland mag afwachten. De voorzieningenrechter verbiedt het verweerder dus om verzoekster voordien uit te zetten. De overige geschilpunten laat de
voorzieningenrechter onbesproken.
10. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
11. Omdat het verzoek wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Die kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.496,- (1 punt voor indienen verzoekschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van
€ 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verzoekster niet mag worden uitgezet totdat verweerder een beslissing op het bezwaar van verzoekster heeft genomen;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoekster te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.496,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op
13 augustus 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.