ECLI:NL:RBDHA:2021:16398

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 september 2021
Publicatiedatum
1 juni 2022
Zaaknummer
Nl21.13473
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens niet-naleving vertrekplicht

Eiser, met de Egyptische nationaliteit, is op 20 augustus 2021 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat zijn aanhouding onrechtmatig was en dat sprake was van een verkapte vreemdelingrechtelijke staande- of aanhouding, wat door de rechtbank werd verworpen omdat de aanhouding strafrechtelijk was vanwege het niet betalen van een geldboete.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het niet naleven van de vertrekplicht en het zich onttrekken aan toezicht, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren. Eiser had een terugkeerbesluit ontvangen op 29 augustus 2014, maar was Nederland niet binnen de gestelde termijn verlaten en had zich niet gemeld voor een herhaalde asielaanvraag.

Eiser voerde aan dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, maar de rechtbank vond dat de omstandigheden dit niet rechtvaardigden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.13473
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.A. Madern), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Gharbaoui. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Egyptische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.
Voortraject
2. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij onrechtmatig is aangehouden. Voor zover eiser daarmee heeft bedoeld dat sprake was van een verkapte vreemdelingrechtelijke staande- of aanhouding, is daar naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van. Uit het geheel van feiten en omstandigheden, zoals daarvan blijkt uit het digitale dossier, is voldoende duidelijk dat eiser op strafrechtelijke grond is aangehouden, namelijk voor het niet betalen van een geldboete. Van een verkapte vreemdelingrechtelijke staande- of aanhouding is daarom ook geen sprake geweest. De strafrechtelijke aanhouding wordt in dit beroep niet getoetst.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit
en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Met betrekking tot de zware gronden 3b en 3c heeft eiser aangevoerd dat hij wist dat hij geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Dat hij zich niet heeft gemeld bij de Nederlandse autoriteiten en geen gevolg heeft gegeven aan de aanzegging om Nederland te verlaten, is vanwege zijn angst voor terugkeer naar Egypte.
5. Volgens vaste rechtspraak3 kan verweerder met betrekking tot de zware gronden van de maatregel van bewaring volstaan met een toelichting waaruit de feitelijke juistheid van de gronden blijkt. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Aan eiser is op 29 augustus 2014 een terugkeerbesluit uitgereikt, waarin is vermeld dat hij Nederland binnen 28 dagen moet verlaten. Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij Nederland niet heeft verlaten, maar met onbekende bestemming is vertrokken tot aan zijn strafrechtelijke aanhouding op 14 augustus 2021. Er kan dan ook aan eiser worden tegengeworpen dat hij zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken en dat hij niet uit eigen beweging Nederland heeft verlaten nadat hij daartoe een aanzegging had ontvangen.
6. De zware gronden 3b en 3c zijn voldoende om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en kunnen de maatregel van bewaring al dragen. De beroepsgrond slaagt daarom niet en de rechtbank laat de overige geschilpunten over de gronden van bewaring onbesproken.
Lichter middel
1. Artikel 5.1b, derde lid., van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3 Uitspraakvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
7. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hij kan in afwachting van de beslissing op zijn asielverzoek van 20 augustus 2021 in een asielzoekerscentrum verblijven.
8. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Bij besluit van 29 augustus 2014 is de eerste asielaanvraag van eiser afgewezen en is aan hem kenbaar gemaakt dat hij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Eiser heeft echter geen gevolg gegeven aan zijn verplichting tot vertrek uit Nederland. Ook heeft eiser zich niet zelf gemeld voor een herhaalde asielaanvraag. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder een lichter middel terecht en voldoende gemotiveerd achterwege heeft gelaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
01 september 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [nummer]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.