ECLI:NL:RBDHA:2021:16426
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking verblijfsvergunning mensenhandel
Verzoeker had een verblijfsvergunning op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid per 21 december 2020 werd ingetrokken. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat door verweerder ongegrond werd verklaard. Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 19 augustus 2021, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde niet verschenen waren. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Op dezelfde dag werd ook de hoofdzaak behandeld.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nu op het beroep in de hoofdzaak was beslist, een voorlopige voorziening niet langer nodig was. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan op 1 september 2021 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.