ECLI:NL:RBDHA:2021:16443

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 augustus 2021
Publicatiedatum
15 juni 2022
Zaaknummer
20/7011 en 20/8437
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet wegens onvoldoende bewijs feitelijke toegankelijkheid medische zorg

Eiser, een vreemdeling van Soedanese nationaliteit, verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege zijn medische situatie. Verweerder wees het verzoek af, stellende dat eiser onder voorwaarden kan reizen en dat noodzakelijke medische zorg in Soedan beschikbaar is. Eiser betwistte dit en voerde aan dat verweerder de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg had moeten onderzoeken, waarbij hij zich beriep op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU).

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt wie hij is en daardoor niet heeft voldaan aan de vereiste bewijsvoering omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat hij feitelijk geen toegang heeft tot de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst. De rechtbank volgde de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en het EHRM dat de bewijslast bij de vreemdeling ligt om een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro aan te tonen.

Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder heeft voldaan aan zijn verplichtingen door het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) te volgen, dat onderscheid maakte tussen medische noodsituaties en reisvoorwaarden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 20/7011 en AWB 20/8437
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 30 augustus 2021 in de zaak tussen
[eiser/verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1983, van gestelde Soedanese nationaliteit, eiser/verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Berben).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) van 5 juni 2020 tot het verlenen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
Bij besluit van 19 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Vrijstelling griffierecht
1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft daarvoor een verklaring over zijn inkomen overgelegd en een ondertekende verklaring dat hij niet over inkomen of vermogen beschikt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van eiser moet worden toegewezen. Eiser hoeft dan ook geen griffierecht te betalen.
Feiten
2. Eiser verblijft sinds 2002 in Nederland. Hij heeft in 2002 een verblijfsrechtelijke procedure gevoerd, die niet tot een verblijfsstatus heeft geleid. Eiser heeft eerder verzoeken op grond van artikel 64 van Pro de Vw ingediend. Eiser heeft op 22 mei 2017 uitstel van vertrek gekregen in afwachting van de gevolgen van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Paposhvili vs. België [1] . Verder is aan eiser diverse keren uitstel van vertrek verleend in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag op grond van artikel 64 van Pro de Vw. Op 10 december 2019 is aan eiser uitstel van vertrek verleend van 18 juli 2019 tot 7 juni 2020, zijnde tot een jaar nadat eiser een niertransplantatie heeft ondergaan.
3. Eiser heeft op 5 juni 2020 opnieuw een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw te bewerkstelligen. Op 30 juli 2020 is aan eiser voorlopig uitstel van vertrek verleend, in afwachting van een definitieve beslissing op de aanvraag.
Bestreden besluit
4. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit onder verwijzing naar het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 28 augustus 2020 op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw. Volgens verweerder kan eiser onder voorwaarden reizen. Bij het uitblijven van een medische behandeling voor eiser zal een medische noodsituatie op korte termijn ontstaan, maar de noodzakelijke medische behandeling is in Soedan aanwezig. Verweerder komt aan de toets of de medische zorg voor eiser voldoende toegankelijk is in het land van herkomst niet toe, omdat eiser niet in het bezit is van een identificerende document of paspoort en deze ook niet kan worden verkregen.
Gronden beroep
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet de feitelijke toegankelijkheid tot de aanwezige medische zorg heeft beoordeeld. Volgens eiser rust de bewijslast dat hij geen toegang zal hebben tot de vereiste medische zorg op verweerder. Dat er geen identificerende documenten beschikbaar zijn, betekent niet dat verweerder de toegankelijkheid van de medische zorg niet hoeft te onderzoeken. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de arresten Paposhvili [2] en Savran [3] van het EHRM en de arresten C.K. [4] en T.Q. [5] van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Volgens eiser moet in elke fase van de uitzettingsprocedure getoetst worden aan het refoulementverbod in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Eiser stelt dat de rechtbank indien nodig vragen kan stellen over de juiste uitleg en toepassing van artikel 4 van Pro het Handvest aan het HvJEU.
Oordeel rechtbank
6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) [6] heeft uit punt 183 van het arrest Paposhvili afgeleid dat het EHRM heeft benadrukt dat de drempel voor een beroep op artikel 3 van Pro het EVRM in zaken die gaan over het uitzetten van ernstig zieke vreemdelingen, onverminderd hoog blijft. Uit punt 186 van het arrest Paposhvili heeft de ABRvS afgeleid dat het aan een vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM loopt en dat het, eerst als die vreemdeling dit bewijs, mede in relatie tot de feitelijke toegankelijkheid tot de voor hem noodzakelijke medische behandeling, heeft geleverd, aan de nationale autoriteiten van de uitzettende staat is om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM weg te nemen. De rechtbank ziet in het arrest in de zaak Savran van het EHRM geen reden om anders te oordelen over de vraag naar de bewijslast van de niet-toegankelijkheid van de medisch noodzakelijke zorg. Het arrest heeft naar het oordeel van de rechtbank geen verandering gebracht in de bewijslastverdeling zoals die uit de uitspraak Paposhvili volgt.
7. In de uitspraak van 10 juni 2020 heeft de ABRvS [7] overwogen dat de vreemdeling eerst aannemelijk moet maken dat hij feitelijk geen toegang heeft tot de benodigde medische behandeling in het land van herkomst. Dat kan niet zonder dat hij aannemelijk maakt wie hij is en dat heeft eiser niet gedaan. Met de van eiser vereiste officiële documenten ter staving van zijn gestelde identiteit en nationaliteit heeft verweerder volgens de ABRvS geen te zware maatstaf gehanteerd. De conclusie van eiser gebaseerd op het arrest T.Q. van het HvJEU dat verweerder door een terugkeerbesluit uit te vaardigen een verwijderingsplicht heeft, en dat verweerder als gevolg van de verwijderingsplicht in dit geval de toegankelijkheid van de zorg moet onderzoeken omdat verweerder toch al weet dat eiser naar Soedan moet terugkeren en dat het niet hebben van identificerende documenten daar niet aan in de weg mag staan, volgt de rechtbank niet. Dit omdat het land van herkomst van eiser niet vaststaat als gevolg waarvan in een situatie van uitzetting het onzeker is of eiser daadwerkelijk naar Soedan zal terugkeren, ook al ligt dat op dit moment het meest voor de hand. Bovendien volgt niet uit het arrest T.Q. dat verweerder in dit geval de toegankelijkheid van de zorg moet onderzoeken.
8. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder heeft voldaan aan de verplichtingen die het HvJEU in het arrest C.K. heeft opgenomen. De BMA adviezen zijn zo opgebouwd dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de vraag of sprake is van een medische noodsituatie, waaronder de gevolgen na de daadwerkelijke uitzetting, en de vraag naar de reisvoorwaarden, waaronder de gevolgen van de daadwerkelijke uitzetting. Uit het medisch advies blijkt dat het BMA heeft beoordeeld of eiser kan reizen en zo ja, welke voorwaarden daarvoor gelden. De rechtbank is van oordeel dat het BMA daarmee ook heeft beoordeeld of de feitelijke uitzetting van eiser als zodanig leidt tot een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier. De beslissing is uitgesproken op 30 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de De rechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen. uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Paposhvili tegen België, EHRM, 13 december 2016, nr. 41738/10.
2.Paposhvili tegen België, EHRM, 13 december 2016, nr. 41738/10.
3.Savran tegen Denemarken, EHRM, 1 oktober 2019, nr. 57467/15.
4.C.K. tegen Slovenië, HvJEU, 16 februari 2018, C-578-16, (ECLI:EU:C:2017:127).
5.T.Q. tegen Nederland, HvJEU, 14 januari 2021, C-441/19, (ECLI:EU:C:2021:9).
6.Zie de uitspraak van de ABRvS van 25 februari 2020, (ECLI:NL:RVS:2020:567).