ECLI:NL:RBDHA:2021:16443
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet wegens onvoldoende bewijs feitelijke toegankelijkheid medische zorg
Eiser, een vreemdeling van Soedanese nationaliteit, verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege zijn medische situatie. Verweerder wees het verzoek af, stellende dat eiser onder voorwaarden kan reizen en dat noodzakelijke medische zorg in Soedan beschikbaar is. Eiser betwistte dit en voerde aan dat verweerder de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg had moeten onderzoeken, waarbij hij zich beriep op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU).
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt wie hij is en daardoor niet heeft voldaan aan de vereiste bewijsvoering omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat hij feitelijk geen toegang heeft tot de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst. De rechtbank volgde de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en het EHRM dat de bewijslast bij de vreemdeling ligt om een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro aan te tonen.
Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder heeft voldaan aan zijn verplichtingen door het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) te volgen, dat onderscheid maakte tussen medische noodsituaties en reisvoorwaarden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.