ECLI:NL:RBDHA:2021:16445
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening verblijf bij partner wegens ontbreken mvv en inreisverbod
Verzoeker, afkomstig uit Nigeria, diende een aanvraag in voor verblijf bij zijn partner in Nederland. Deze aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan de vrijstellingscriteria.
Verzoeker stelde dat het uitzetten in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro, omdat er sprake is van een beschermingswaardig familie- en gezinsleven. De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging door verweerder zorgvuldig was gemaakt en dat het algemene belang van het restrictieve toelatingsbeleid zwaarder woog dan het persoonlijke belang van verzoeker.
Daarnaast werd het opgelegde inreisverbod van twee jaar door de rechtbank als terecht beoordeeld. Verzoeker kon niet aantonen dat hem onredelijke hardheid werd aangedaan door het mvv-vereiste of dat de coronapandemie een vrijstelling rechtvaardigde.
De rechtbank wees het verzoek om voorlopige voorziening af en benadrukte dat haar oordeel voorlopig is en niet bindend voor een eventuele bodemprocedure.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor verblijf bij partner wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv en terecht opgelegd inreisverbod.