De zaak betreft een beroep tegen een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen en een inreisverbod van twee jaar opgelegd aan een vreemdeling van Servische nationaliteit. De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2021 behandeld en constateerde dat er onduidelijkheid was over de vertrektermijn, maar dat dit geen aanleiding gaf tot heropening van het onderzoek.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit terecht was opgelegd omdat eiser zijn verplichtingen niet was nagekomen, waaronder het niet melden bij de bevoegde autoriteiten. Het beroep tegen het terugkeerbesluit werd daarom ongegrond verklaard.
Echter, het inreisverbod was uitgevaardigd op dezelfde dag als het terugkeerbesluit, terwijl de 28 dagen vertrektermijn nog niet verstreken was. Volgens artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000 mag een inreisverbod pas worden opgelegd nadat de vertrektermijn is verstreken zonder vertrek. Omdat dit niet het geval was, oordeelde de rechtbank dat het inreisverbod onrechtmatig was en vernietigde dit deel van het besluit.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser ad €1.496,-. Het besluit tot terugkeer bleef ongewijzigd en het beroep tegen dit besluit werd ongegrond verklaard.