ECLI:NL:RBDHA:2021:16486
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielprocedure na beroep
Verzoeker had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 30 mei 2021 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen dit besluit stelde verzoeker beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening op 21 juni 2021, waarbij beide partijen zich lieten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Op 7 juli 2021 deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL21.8656).
Gezien de uitspraak in de hoofdzaak achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak is behandeld en uitspraak is gedaan.