ECLI:NL:RBDHA:2021:16502
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens vastgesteld schijnhuwelijk
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, heeft een aanvraag gedaan voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om als gezinslid bij zijn echtgenote te verblijven. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat in een eerdere procedure onherroepelijk was vastgesteld dat sprake is van een schijnhuwelijk. Eiser voerde aan dat er nieuwe feiten en omstandigheden waren die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, waaronder een verklaring van een zorginstelling over de verstandelijke beperking van zijn echtgenote en het ontbreken van vervolging door het Openbaar Ministerie.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft verwezen naar de eerdere procedure waarin het schijnhuwelijk werd vastgesteld. De nieuwe omstandigheden zijn onvoldoende om het eerdere oordeel te herzien. De verklaring van de zorginstelling en het ontbreken van bewijs van recent contact tussen eiser en zijn echtgenote bieden geen reden om het eerdere oordeel te herzien. Ook was het niet noodzakelijk eiser te horen in bezwaar omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege het onherroepelijk vastgestelde schijnhuwelijk.