ECLI:NL:RBDHA:2021:16507

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2021
Publicatiedatum
1 juli 2022
Zaaknummer
NL21.7250
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13, eerste lid DublinverordeningArt. 17, eerste lid Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen weigering asielaanvraag wegens Dublinverordening en verantwoordelijkheid Spanje

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Verweerder heeft een overnameverzoek naar Spanje gestuurd, dat door Spanje is geaccepteerd, waarmee het claimakkoord is vastgesteld.

Eiser stelde dat hij eerder een asielaanvraag in Spanje had ingediend die was afgewezen, en dat er daardoor risico op refoulement bestaat. Hij wilde dat Nederland zijn aanvraag inhoudelijk zou behandelen vanwege de complexiteit van zijn situatie. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij eerder een asielaanvraag in Spanje had gedaan.

De rechtbank stelde vast dat uit het Eurodac-resultaat alleen blijkt dat eiser illegaal via Spanje de EU is binnengekomen, maar niet dat hij daar een asielaanvraag heeft ingediend. Spanje heeft het overnameverzoek op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening geaccepteerd. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom Spaanse autoriteiten hun verplichtingen jegens hem niet zouden nakomen of waarom het voor hem zinloos zou zijn om klachten in Spanje te behandelen.

Daarom zag de rechtbank geen reden om artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening toe te passen en de aanvraag in Nederland inhoudelijk te behandelen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.7250
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J. de Jong),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Rikken).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.7251, plaatsgevonden op 25 mei 2021. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Spanje de verantwoordelijke lidstaat is op grond van de Dublinverordening. In dit geval heeft verweerder op 18 maart 2021 een overnameverzoek naar Spanje verstuurd. Op 29 maart 2021 heeft Spanje dit verzoek geaccepteerd en kwam het claimakkoord vast te staan.
3. Eiser voert aan dat hij reeds eerder een asielverzoek in Spanje heeft ingediend en dat dit verzoek blijkbaar is afgewezen. Omdat er geen stukken uit die procedure beschikbaar zijn gesteld door verweerder is het niet duidelijk om welke reden het verzoek is afgewezen. Tevens is daarmee niet duidelijk of Spanje zich aan de internationale richtlijnen heeft gehouden. Daarnaast is de kans op refoulement aanwezig doordat dit eerste asielverzoek in Spanje is afgewezen. De problemen van eiser zijn complex en hij wenst dat de Nederlandse autoriteiten zijn asielaanvraag inhoudelijk in behandeling nemen.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten opzichte van Spanje in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mag. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd.
5. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij al eerder een asielaanvraag in Spanje heeft ingediend. Zoals in het bestreden besluit is overwogen blijkt uit het Eurodac-resultaat alleen dat eiser de buitengrens van de Europese Unie op illegale wijze heeft overschreden via Spanje. Het overnameverzoek is ook gebaseerd op artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening en Spanje heeft het verzoek ook op deze grondslag geaccepteerd. Dat er een kans zou zijn op refoulement bij overdracht aan Spanje, omdat eisers eerdere asielaanvraag is afgewezen, volgt de rechtbank dan ook niet. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom de Spaanse autoriteiten zich niet zullen houden aan hun verplichtingen jegens hem en waarom het onmogelijk of zinloos voor hem zou zijn om hierover te klagen bij de (hogere) Spaanse autoriteiten.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de aangevoerde omstandigheden van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2021 door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
26 mei 2021

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.