ECLI:NL:RBDHA:2021:16539
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag en verblijfsvergunning onder tijdelijke humanitaire gronden na aangifte mensenhandel
Eiseres, van Liberiaanse nationaliteit, diende op 4 november 2020 een asielaanvraag in en deed op 22 december 2020 aangifte van mensenhandel. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees haar aanvraag voor een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden af bij besluit van 4 januari 2021. Na bezwaar verklaarde de Staatssecretaris dit bezwaar ongegrond bij besluit van 12 maart 2021, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde het beroep op 27 september 2021, waarbij eiseres niet aanwezig was. De rechtbank verleende haar vrijstelling van griffierecht en overwoog dat het Openbaar Ministerie geen strafrechtelijk onderzoek in Nederland kon instellen vanwege onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank oordeelde dat eiseres niet voldoet aan de cumulatieve criteria uit artikel 8 van Pro Richtlijn 2004/81/EG, die vereist zijn voor het verlenen van een verblijfsvergunning na aangifte van mensenhandel.
Daarnaast was de bedenktijd uit artikel 6 van Pro de Richtlijn niet van toepassing, omdat eiseres al rechtmatig verbleef op grond van haar asielaanvraag. De rechtbank verwierp ook het beroep op het arrest Rantsev, omdat eiseres niet had toegelicht hoe de Staatssecretaris in strijd met dit arrest zou hebben gehandeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.