Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse Unieburger, kwam in december 2019 naar Nederland en verzocht om rechtmatig verblijf. De Staatssecretaris stelde vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had omdat hij niet werkzaam was, geen aantoonbaar arbeidsverleden had, niet als werkzoekende stond ingeschreven bij het UWV en niet beschikte over voldoende middelen van bestaan. Eiser voerde aan wel gewerkt te hebben via uitzendbureaus en onvrijwillig werkloos te zijn geworden door een bouwstop.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde van werk of inschrijving als werkzoekende en dat het aan eiser is om aan te tonen dat hij aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 voldoet. De belangenafweging door verweerder, waarbij het belang van de Nederlandse staat zwaarder woog dan dat van eiser, werd als rechtmatig beoordeeld.
Eiser stelde dat verwijdering disproportioneel was vanwege zijn langdurig verblijf en gebrek aan banden met Polen, maar de rechtbank vond dat verweerder terecht gewicht gaf aan het korte verblijf, het ontbreken van een stabiel bestaan, taalachterstand en contacten met politie. De verwijderingsmaatregel werd niet als disproportioneel beschouwd.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.