Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking verblijf bij familie- of gezinslid, welke door verweerder is afgewezen. Hiertegen maakte verzoekster bezwaar en vroeg zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter overwoog dat het oordeel een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor het eventuele bodemgeding. Verweerder heeft laten weten zich niet te verzetten tegen de voorlopige voorziening, waarmee hij zich verplicht om verzoekster niet uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter wees het verzoek toe, verbood de uitzetting en veroordeelde verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 748,-. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.