ECLI:NL:RBDHA:2021:16555
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenrechtelijke zaak over rechtmatig verblijf
Verzoekster, een Poolse gemeenschapsonderdaan, had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin werd vastgesteld dat zij geen rechtmatig verblijf had op grond van het Unierecht. Na afwijzing van het bezwaar heeft zij beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld op 14 september 2021. Verzoekster vroeg tevens vrijstelling van griffierecht vanwege betalingsonmacht, omdat zij dakloos is en geen inkomen of vermogen heeft. Dit verzoek werd toegewezen.
De rechtbank heeft op dezelfde dag uitspraak gedaan in de bodemprocedure (zaaknummer NL21.7539), waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Om die reden wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, voorzieningenrechter, en bekendgemaakt op 7 oktober 2021. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de bodemprocedure is afgerond.