ECLI:NL:RBDHA:2021:16563
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en afwijzing wijziging verblijfsdoel wegens relatiecriteria
Eiseres, houder van een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner, kreeg deze vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken per 1 januari 2020 vanwege het beëindigen van de relatie en haar aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel werd afgewezen. Verweerder stelde dat eiseres niet had aangetoond dat sprake was van een duurzame en exclusieve relatie vergelijkbaar met een huwelijk.
De rechtbank constateerde dat eiseres de intrekking van de vergunning niet betwistte, maar dat verweerder ten onrechte geen gehoor had gegeven aan de hoorplicht tijdens de bezwaarfase. Tevens vond de rechtbank dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de samenhang van de overgelegde bewijsstukken, waaronder verklaringen van eiseres, referent en vrienden, alsmede whatsapp-gesprekken en foto's.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit in strijd was met de artikelen 7:2 en 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht en vernietigde het besluit voor zover het de afwijzing van de aanvraag betrof. Verweerder werd opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen waarbij eiseres en referent gehoord moeten worden. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.