Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V-nummer]
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst hetverzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten vanverzoeker tot eenbedrag van € 748,-.
Rechtbank Den Haag
Verzoekster, van Marokkaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel 'Verblijf bij familie- of gezinslid'. Deze aanvraag werd op 20 oktober 2020 afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, waarna het bezwaar van verzoekster op 2 juni 2021 ongegrond werd verklaard.
Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 2 september 2021 werden het verzoek en een gerelateerde zaak behandeld. Verzoekster werd vrijgesteld van het griffierecht omdat zij voldeed aan de voorwaarden daarvoor.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening niet langer nodig was vanwege de uitspraak in de bodemzaak met zaaknummer NL21.10313. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Wel werd de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 748,- volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de Staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 748,-.