ECLI:NL:RBDHA:2021:16603
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen inreisverbod van twee jaar opgelegd aan vreemdeling met relatie EU-burger
Eiseres, een Colombiaanse vreemdeling met een relatie met een EU-burger, werd geconfronteerd met een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit besluit volgde op een eerder terugkeerbesluit waartegen zij geen rechtsmiddelen had aangewend en waarop zij geen gehoor had gegeven.
Eiseres voerde onder meer aan dat zij het voornemen tot oplegging van het inreisverbod niet had ontvangen en dat het inreisverbod haar afgeleid verblijfsrecht als partner van een EU-burger doorkruist. De rechtbank stelde vast dat het voornemen wel degelijk naar het juiste adres was verzonden en dat de enkele ontkenning van ontvangst onvoldoende was om dit te betwijfelen.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij door coronamaatregelen niet in staat was Nederland tijdig te verlaten en dat het lopende bezwaar tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunning geen beletsel vormde voor het opleggen van het inreisverbod. Ook de duur van twee jaar was volgens de rechtbank niet onrechtmatig opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod van twee jaar wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.