ECLI:NL:RBDHA:2021:16609
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens overschrijding beslistermijn verblijfsvergunning
Verzoeker is op 8 februari 2021 in beroep gegaan tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft vervolgens op 9 maart 2021 alsnog een besluit genomen, waarmee het verzoek van verzoeker werd ingewilligd. Hierop heeft verzoeker het beroep ingetrokken en een vergoeding van zijn proceskosten gevorderd.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een partij de proceskosten van de tegenpartij kan laten betalen. Verweerder heeft geen bezwaar tegen vergoeding van de proceskosten en stelt zich op het standpunt dat een wegingsfactor 'licht' passend is, waarmee een vergoeding van € 374,- redelijk is.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt en stelt de proceskostenvergoeding vast op € 374,-, berekend als 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 748,- per punt en een wegingsfactor van 0,5 vanwege de beperkte aard van het geschil, dat alleen betrekking had op de overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van dit bedrag aan verzoeker.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van € 374,- aan proceskosten wegens overschrijding van de beslistermijn.